Studenten werkten 7 voorstellen uit:
Expliciete vragen aan het beleid
Het advies is opgebouwd uit zeven voorstellen en reikt verschillende bevoegdheden, maar ook pijnpunten op de stages aan. Zorgen voor een verhoogde instroom tot de opleiding VVAZ en verlaagde uitstroom raakt menig domeinen die dienen te worden aangepakt.
We herhalen hierbij het belangrijke vertrekpunt van dit advies, namelijk: De opleiding tot Verpleegkundige Verantwoordelijke Algemene Zorg (VVAZ) is uniek als enige professionele bachelor die vier jaar duurt, met bijbehorende organisatorische en financiële druk voor studenten. Een unieke opleiding vraagt om unieke maatregelen.
1. Billijke inschrijvingsgelden voor het laatste opleidingsjaar VVAZ
Vertrekkende vanuit de Belgische antidiscriminatiewet van 10 mei 2007 (7) vragen we om de inschrijvingsgelden van het laatste opleidingsjaar VVAZ op te heffen, dan wel te herleiden tot een proportioneel bedrag. Dit met het oog op de bescherming van studenten tegen een mogelijk indirect onderscheid aangaande de toegang tot de opleiding (art.5, §.1), op basis van vermogen of sociale afkomst (art. 4, 4°). Gezien het afwijkende karakter van de opleiding (240 ECTS) tot VVAZ ten opzichte van andere professionele bachelors (180 ECTS) en het feit dat ongeveer de helft van de studiebelasting in het laatste jaar bestaat uit contractstages waarbij de student bijkomende onkosten dient te maken, beschouwen wij het huidige inschrijvingsgeld niet langer in verhouding tot de effectieve onderwijscomponent en kan dit een financiële drempel vormen voor studenten met begrensde financiële middelen.
2. Welzijnswetgeving voor stagiairs
Wij vragen onderwijsinstellingen om actief toezicht te houden op de correcte toepassing van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitoefening van hun werk. Stagiairs vallen expliciet onder deze welzijnswetgeving (art.2, § 1), waardoor werkgevers wettelijk verplicht zijn de opgenomen bepalingen algeheel toe te passen in hun stagebeleid. Dit omvat onder andere de verplichting te voorzien in schone, geschikte werkkledij, conform aan de bepalingen van de Codex over het welzijn op het werk (art. IX.3-3.).
Daarnaast pleiten wij voor de invoering forfaitaire onkostenvergoeding door de werkgevers voor de laatstejaarsstudenten VVAZ. Dit met het doel om kosten die gekoppeld zijn aan het verrichten van stageactiviteiten te compenseren en te voorkomen dat stages een buitenproportionele financiële last vormen voor studenten.
3. Kwaliteit van stageplaatsen – Deelstaten
We pleiten voor een Vlaanderenbrede, wetenschappelijk onderbouwde bevraging van stageplaatsen, gebaseerd op de CLES-T-methodiek (8, 9). Op basis hiervan kan een rapport worden gegenereerd voor zowel de onderwijsinstellingen als de werkgevers. Deze evaluatie kan hogescholen in staat stellen om de kwaliteit van de stageplaatsen structureel te bewaken en biedt werkgevers de mogelijkheid hun stagebeleid te verbeteren. Daarnaast vragen we voor het integraal integreren van het stagecharter (10) in het stagecontract.
4. Transparantie financiering opleiding VVAZ – Deelstaten
4.1. Algemene uitgangspunten van de financiering
De financiering van hogescholen wordt jaarlijks uitgekeerd door de Vlaamse Gemeenschap binnen vastgelegde perken en onder bepaalde voorwaarden, met als doel bij te dragen tot hun werking (art.III.1, Codex Hoger Onderwijs).
De werkingsuitkeringen dragen bij tot (art.III.2.):
- De dekking van de gewone uitgaven voor onderwijs, onderzoek, maatschappelijke en wetenschappelijke dienstverlening;
- De financiering van investeringen;
- De afbetaling van leningen;
- De administratie van de instelling, met inbegrip van de roerende uitrusting.
4.2. De globale enveloppe als financieringsprincipe
Het financieringsmechanisme is zeer complex en vertrekt vanuit het principe van één totale enveloppe.
Volgens art. III.5 van de Codex Hoger Onderwijs bestaat deze enveloppe uit de volgende componenten:
1. een onderwijssokkel voor de hogescholen en universiteiten (SOW);
2. een variabel onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen aan de hogescholen (VOWprof);
3. een variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen aan de hogescholen (VOWac);
4. een variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten (VOWun);
5. een onderzoekssokkel voor de universiteiten (SOZun);
6. een variabel onderzoeksdeel voor de universiteiten (VOZun).
4.3. Hervorming sinds begrotingsjaar 2014
Vanaf het begrotingsjaar 2014 is de totale werkingsuitkering (Wtot) voor de hogescholen en universiteiten samengesteld uit meer gedifferentieerde componenten (§ 2 van art. III.5):
1. een onderwijssokkel voor de professioneel gerichte opleidingen (met uitzondering van de professioneel gerichte kunstopleidingen) aan de hogescholen (SOWprof2014);
2. een onderwijssokkel voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts (SOWhko2014);
3. een onderwijssokkel voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten (SOWun2014);
4. een variabel onderwijsdeel voor de professioneel gerichte opleidingen (met uitzondering van de professioneel gerichte kunstopleidingen) aan de hogescholen (VOWprof2014);
5. een variabel onderwijsdeel voor de kunstopleidingen in de Schools of Arts (VOWhko2014);
6. een variabel onderwijsdeel voor de academisch gerichte opleidingen aan de universiteiten (VOWun2014);
7. een onderzoekssokkel voor de universiteiten (SOZun2014);
8. een variabel onderzoeksdeel voor de universiteiten (VOZun2014).
4.4 Berekening van de onderwijssokkel
Volgens art. III.7, § 1 van de Codex Hoger Onderwijs wordt de onderwijssokkel berekend op basis van het aantal opgenomen studiepunten in een instelling (OSTPi).
Voor het begrotingsjaar t wordt daarbij het gemiddelde aantal studiepunten in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2, waarvoor studenten onder diplomacontract waren ingeschreven in een initiële bachelor- of masteropleiding aan de betrokken instelling.
4.5. Overige financieringscomponenten
Naast de onderwijssokkel bestaan er nog:
- Het variabel onderwijsdeel (onderafdeling 3, deel 3 Codex Hoger Onderwijs);
- De onderzoekssokkel (onderafdeling 4, deel 3);
- Het variabel onderzoeksdeel (onderafdeling 5, deel 3).
4.6. Berekening van het variabel onderwijsdeel (VOW)
Art. III.11, § 1 bepaalt dat voor de berekening van het variabel onderwijsdeel van een hogeschool of universiteit (VOWi) de bedragen vermeld in art. III.5 worden omgeslagen op basis van het aantal financieringspunten volgens een wiskundige verdeelsleutel.
Voor hogescholen geldt:
VOWi = VOWi-prof + VOWi-ac + VOWi-hko
met de bijhorende deelformules en definities zoals vastgelegd in art. III.11, § 1.
4.7. Puntgewichten per studiegebied
Binnen het variabel deel van de financiering wordt het aantal financieringspunten berekend op basis van het puntgewicht van de studiegebieden (art. III.19, § 1).
Voor professioneel gerichte opleidingen aan hogescholen gelden de volgende puntgewichten:
Studiegebied Puntgewicht
Architectuur 1,40
Gezondheidszorg 1,60
Industriële wetenschappen en technologie 1,20
Audiovisuele en beeldende kunst 1,40
Muziek en podiumkunsten 1,00
Biotechniek 1,40
Onderwijs 1,60
Sociaal-agogisch werk 1,40
Handelswetenschappen en bedrijfskunde 1,00
Hieruit blijkt dat professioneel gerichte opleidingen binnen de gezondheidszorg een puntgewicht van 1,60 kennen. Deze puntgewichten kunnen bovendien bij nieuwe beleidshervormingen worden aangepast.
Het totaal aantal financieringspunten hangt onder andere ook af van:
- Het aantal beursstudenten;
- Studenten met een functiebeperking;
- Werkstudenten.
4.8. Conclusie in functie van transparantie
De Codex Hoger Onderwijs voorziet een zeer technisch en complex financieringsmechanisme. Hierdoor is het zeer lastig om na te gaan welke middelen er nu concreet toegekend worden aan de opleiding verpleegkunde. Daarnaast is het hierdoor moeilijk om van de onderwijsinstellingen transparantie te verkrijgen over de verdeling van hun budgetten.
Daarom vragen wij als beroepsvereniging om transparantie van onderwijsinstellingen met als doel dat er meer geïnvesteerd wordt in kwalitatieve stagebegeleiding door de onderwijsinstellingen:
- Welke financiële middelen worden er extra voorzien om het vierde jaar opleiding tot VVAZ te organiseren dat hoofdzakelijk uit stages bestaat? Op dit moment wordt de begeleiding van studenten voornamelijk gedragen door werkgevers.
- Worden de financiële middelen die hogescholen ontvangen voor de opleiding tot VVAZ daadwerkelijk toegekend aan de opleiding en de begeleiding in het kader van de stages?
5. Aansprakelijkheid en verzekering stagiair
Vermits de aansprakelijkheidsregeling een federale materie is dient in de federale wetgeving de immuniteit van de student voor toevallig voorkomende lichte fouten te worden opgenomen. In afwachting hiervan moet er een sluitende en deugdelijke burgerlijkheidsregeling en verzekering in de stagecontracten worden opgenomen.
6. Integratie VIO-statuut in de sociale zekerheid
Wij vragen een federale regeling om het VIO-statuut te integreren in de sociale zekerheidswetgeving waarbij de stage-uren in het vierde bachelorjaar verpleegkunde worden gelijkgesteld met een gelijkgestelde periode in de sociale zekerheid, met het oog op de opbouw van anciënniteit. Vierdejaarsstudenten VVAZ leveren tijdens hun stage immers arbeid binnen het werkveld zonder dat zij daarbij sociale rechten opbouwen. Door dit op federaal niveau te regelen geniet elke afgestudeerde hiervan, ongeacht of deze aan de slag gaat in een woonzorgcentrum, psychiatrisch centrum, ziekenhuis, enzovoort. Momenteel wordt dit als een voordeel toegekend door sommige werkgevers als attractiviteitsmaatregel. Belangrijk hierbij is dat het statuut van de student als student niet veranderd en dat zij autonoom verpleegkundige handelingen kunnen stellen.
7. Continuering bestaande onkostenvergoeding
Indien het bovenstaande niet haalbaar blijkt. Richten wij ons tot Vlaamse minister om de bestaande regeling van de forfaitaire onkostenvergoeding te voorzien via de Vlaamse werkgevers, conform aan het Vlaams Regeerakkoord (5). Dit kent echter niet onze voorkeur vanwege het ontbreken van een regeling voor de werkgevers die federaal georganiseerd worden, maar is wel naar analogie van de tekorten die volgens federale Planningscommissie in 2040 hier het minste hoog zullen zijn (12). Verder zien we dit als een belangrijk stimulans en promotiekans voor de Vlaamse zorginstellingen die nu onder bijzonder druk staan en maakt dit het nodige budget om deze maatregelen te realiseren aanzienlijk beperkter.
Reeds voor de invoering van de Europese richtlijn volgenden in de Franstalige gemeenschap studenten verpleegkunde grotendeels een algemene opleiding van 3 jaar, gevolgd door een 4de specialisatiejaar. De traditie om 4 jaar te studeren vormde dan ook de basis om niet de noodzaak te ervaren een VIO-statuut in te voeren op federaal niveau.
