Hervorming ziekenhuislandschap impact verpleegkundige zorg
Aanbevelingen en maatregelen
Om de hervormingen van het ziekenhuislandschap (Rapport IMC december 2025) te laten slagen zijn een aantal maatregelen noodzakelijk. De werkgroep directies NETWERK VERPLEEGKUNDE is ervan overtuigd dat verpleegkundigen hierin een belangrijke en centrale rol vervullen en bundelde een aantal acties in acht aanbevelingen. De leidraad is het WHO EURO “Health and care workforce in Europe: time to act rapport” van 2022. Het rapport bevat vijf pijlers en tien acties rondom recrutering en retentie, performantie en redesign, opleiding en bijscholing, workforce planning en publieke investering.
1. Zorg voor voldoende verpleegkundig leiderschap bij het beleid en hervormingen in de gezondheidszorg.
De verpleegkundige rol in kwaliteit en veiligheid, coördinatie en organisatie, innovatieve zorgmodellen is uitvoerig in de literatuur gedocumenteerd. De plannen naar differentiëring en taakafspraken tussen ziekenhuizen onderling en samenwerking tussen ziekenhuizen, zorglijnen en -sectoren, vragen dat de verpleegkundig directeur mee betrokken wordt om de impact van maatregelen (verschuiving van activiteit, verschuiving van een 24/7-activiteit naar week- of dagziekenhuis, verdere ambulantisering, reorganisatie van spoeddiensten, …) op personeelsinzet en de patiëntervaringen te beoordelen. Het is hiervoor essentieel dat de verpleegkundig directeur volwaardig en integraal deel uitmaakt van het directiecomité van ziekenhuizen, permanent wordt uitgenodigd op het bestuursorgaan van het ziekenhuis en het bestuursorgaan van het locoregionale ziekenhuisnetwerk (zoals voorzien reeds is voor de hoofdarts). Deze rol geldt eveneens voor andere vormen van samenwerkingen (fusies, holdings, groeperingen, associaties, eerstelijnszones …). Bij uitbreiding geldt dit ook voor afvaardiging naar strategische commissies (vaak in de schoot van het bestuursorgaan) en netwerkcomités waarin de organisatie van de zorg, kwaliteit en patiëntveiligheid centraal staan. Het is onvoldoende om deze rol te laten vervullen door een directielid met een mogelijke zorgaffiniteit. Het is essentieel dat deze rol vervuld wordt vanuit de positie van verpleegkundig directeur of directeur patiëntenzorg omdat dit garandeert dat de beslissingen voldoende draagvlak hebben in de organisatie en ook in praktijk kunnen worden omgezet.
Een functie van Chief Nursing Officer (CNO) op het federale (en regionale niveau) zou bovendien een belangrijke meerwaarde kunnen bieden voor de uitbouw van het verpleegkundige beroep binnen de overheid. Vergelijkend onderzoek door de WHO wijst uit dat de CNO-functie op landelijk niveau niet alleen leidt tot een betere organisatie van zorg, maar ook tot betere sociale bescherming, verbetering van de werkomstandigheden, de algemene opleiding, huisvesting, openbare veiligheid en daling van de algemene ongelijkheid in de populatie.
2. Zorg voor flankerende maatregelen op het vlak van wet- en regelgeving en financiering.
De huidige ziekenhuisfinanciering is eerder een rem dan een katalysator van verandering. De financiering op basis van prestaties leidt logischerwijs tot meer prestaties, belemmert de samenwerking tussen eerste en tweede lijn en verwijzing en terugverwijzing. Het genereert meer onderzoeken, interventies en opnames dan nodig is. Verpleegkundigen in ziekenhuizen, die gesalarieerd zijn, zijn dan vaak het slachtoffer van deze ratrace naar meer. Als de kwaliteit bovendien onvoldoende wordt gedefinieerd, gemeten en beoordeeld dan is dit een incentive om meer medische prestaties te verstrekken (lees: meer inkomen) en de verpleegkundige inzet te behouden of te verminderen (lees: lagere kost) . Deze hervorming kan alleen slagen als die gepaard gaat met een transitie van een volume- naar een waardegedreven gezondheidszorg. Dit kan door de kwaliteit van zorg te waarderen of door de meerwaarde van het werk van verpleegkundigen in het verzekeren van de kwaliteit van zorg mee op te nemen in de financiering. Verpleegkundige zorg mag niet als een kost, wel als een toegevoegde waarde voor de gezondheidszorg gezien worden door hun cruciale rol in het zorgproces.
3. Zorg voor een veilige patient-to-nurse ratio.
Voor de verschillende zorgvoorzieningen wordt een veilige patient-to-nurse ratio gevraagd om veilige patiëntenzorg te garanderen. Dit vraagt dat de verpleegkundige bestaffingsratios geleidelijk worden opgetrokken tot deze veilige ratios, net zoals het voorzien in voldoende ondersteunend personeel, transparantie in de verpleegkundige bestaffingsniveaus (intern, extern) en bespreking binnen het bestuursorgaan (KCE-rapport, 2019) . De opdracht om de kwaliteit van zorg te allen tijde te garanderen legt de verantwoordelijkheid bij de verpleegkundige om erop toe te zien of alle voorwaarden vervuld zijn om een opname, behandeling, ingreep, ontslag of transfer in veilige omstandigheden te laten plaatsvinden en in te grijpen als dit niet het geval zou zijn. Dit kan eventueel leiden tot het sluiten van bedden, een opnamestop of verlengd verblijf indien dit nodig zou zijn om de patiëntveiligheid te vrijwaren. Ondanks het feit dat veilige verpleegkundige bestaffing vooral is bestudeerd in algemene ziekenhuizen, geldt deze aanbeveling eveneens voor alle zorgvoorzieningen waar het nodig is een veilige omgeving voor patiënten en bewoners te verzekeren. Dat zien we onder meer al in de geestelijke gezondheidszorg, waar door art. 107 een sterke intensifiëring van zorg in de ziekenhuizen aanwezig is, met een hoge mate van complexiteit tot gevolg. We verwijzen hier naar het omkaderingsadvies van de Planningscommissie – Medisch aanbod, volgend op het scenario van de evolutie van de workforce van verpleegkundigen tot 2046 .
4. Waardeer interprofessioneel teamwerk.
Het werk in de gezondheidszorg is niet langer het werk van individuele zorgverstrekkers, maar van interprofessionele teams. De samenstelling en grootte van deze teams rondom één patiënt kan variëren. In complexe casussen kan dit oplopen tot meer dan honderd individuele zorgverstrekkers die samen de zorg voor een individuele zorgvrager opnemen. Patiënten, mantelzorgers en een brede kern van medestanders hebben hierin hun plaats. Zonder deze verbindingen is er fragmentatie en geen continuïteit. Verpleegkundigen hun DNA maakt dat dat ze vaak een belangrijke rol opnemen als coördinator van dit gestructureerd zorgteam, als liaison en verbindingspersoon. Deze teams vormen zich binnen ziekenhuizen maar ook tussen zorginstellingen en zorgverleners onderling en in outreach teams. De geplande hervorming kan pas slagen als de realiteit van de steeds wisselende zorgteams wordt erkend en concreet gestalte krijgt in wet- en regelgeving en financiering.
5. Zorg voor een gezonde werkomgeving met aandacht voor mentaal welbevinden van alle zorgmedewerkers.
De tekorten aan zorgprofessionals vragen een attractieve werkomgeving om medewerkers te behouden en nieuwe medewerkers aan te trekken. Uit de literatuur blijkt dat dit gericht is op de intrinsieke motivatie van de medewerkers: hun drijfveer om te zorgen voor patiënten. Belangrijke determinanten hierbij zijn het gevoel van betrokkenheid (respect, gehoord worden), ondersteuning door leidinggevenden, benutting van kennis en vaardigheden, autonomie, psychologische veiligheid en veilige werkomgeving . De resultaten van de Magnet4Europe studie tonen aan dat deze ‘magneet’principes leiden tot lagere burn-outcijfers, minder verloopintentie, meer tevredenheid bij medewerkers en patiënten, en een betere beoordeling van de zorgkwaliteit. Naast retentie moet ook nagedacht worden over het faciliteren van een terugkeer naar de zorg voor wie uit de sector stapte.
6. Zorg voor digitalisering, technologie en innovatie voor het verpleegkundige beroep.
Technologie is in de gezondheidszorg steeds meer prominent aanwezig, denk maar aan medische beeldvorming, klinische biologie, robotica in de chirurgie, een waaier van diagnostische en therapeutische instrumenten, artificiële intelligentie (AI), ... Tegelijkertijd zien we dat verpleegkundigen niet steeds toegang hebben tot de budgetten om deze nieuwe technologieën in hun werk te integreren, ondanks het feit dat veel tijd gaat naar administratie, verzamelen van data, documenteren en communicatie. Daarnaast wordt onvoldoende tegemoetgekomen aan noodzakelijk randvoorwaarden om digitalisering succesvol, duurzaam en als toegevoegde waarde in de dagelijkse zorg te implementeren. De bestaande technologie zou het werk van verpleegkundigen kunnen verlichten en tijd vrijmaken voor patiënten. Denk maar aan monitoring van vitale parameters, telemonitoring, AI-hulp en spraaktechnologie in het documenteren van patiëntendossiers, e-Health toepassingen op vlak van coördinatie en communicatie, … Geef verpleegkundigen zeggenschap en de nodige middelen om deze innovaties op een evidencebased manier toe te passen op hun dagelijkse praktijk en maak een persoonlijk budget voor technologie bindend aan de FTE binnen de ziekenhuisnorm.
7. Zorg voor geïntegreerde data en informatie.
Momenteel wordt erg veel tijd besteed aan het documenteren van de zorg. Artificiële intelligentie capteert, transcribeert en codeert data meer automatisch zodat tijd vrijkomt voor de zorg aan patiënten. Tegelijkertijd moet gewaakt worden over de continuïteit van data en informatie over zorgverstrekkers en zorgorganisaties heen. De kwaliteit van de zorg moet worden opgevolgd doorheen het zorgcontinuüm. De data moeten gemakkelijk exploiteerbaar zijn zodat de organisatie van zorg tijdig kan worden bijgestuurd. Dit alles klinkt vanzelfsprekend, maar is het in de praktijk niet. Verpleegkundigen worden veelvuldig ingezet als dataverzamelaars en als administratieve hulp voor artsen. Zij worden geconfronteerd met ontbrekende gegevens of met het overschrijven van gegevens. Enige sturing op basis van gezondheidszorgdata is nog vaak onbestaande. Verpleegkundigen voelen zich niet alleen pleitbezorger van patiënten, maar ook behoeder van het gezondheidszorgsysteem. Zij zijn vragende partij om de randvoorwaarden te garanderen die een vlotte samenwerking tussen zorgverstrekkers, zorgorganisaties en sectoren mogelijk maakt.
8. Zorg voor voldoende ruimte en budgetten voor navorming en bijscholing, hervorm het onderwijs tot gezondheidszorg.
De hervorming zal een blauwdruk zijn voor de gezondheidszorg van morgen. Deze wordt gekenmerkt door samenwerking en teamwerk, zal minder gedomineerd worden door het voorkomen en behandelen van ziekte, maar meer door het behoud en verbeteren van gezondheid. Dit vraagt een grondige hervorming van alle curricula van gezondheidsopleidingen in lijn met de aanbevelingen van de Lancet-commissie onder leiding van Julio Frenk en Lincoln Chen (2010) , dat ook relevant is voor de Belgische context . Zij pleiten voor een deels interprofessioneel curriculum waarbij zorgprofessionals al tijdens hun opleiding leren samenwerken. De opleiding moet aandacht hebben voor de nodige transformatele competenties (probleemoplossend, organisatie, leiderschap) naast de traditionele informatieve (klinische evidentie) en formatieve (houding, attitude, waarden) competenties. Deze interprofessionele en transformatieve competenties moeten in navorming en bijscholing aangeboden worden om de transitie naar een nieuwe gezondheidszorg te waarborgen. Tegelijkertijd moet ingezet worden op het verwerven van digitale en -competenties , gezondheidspromotie en -opvoeding. Blended learning kan hierin ook een rol spelen.
